De loopbrug
‘Doorlopen! Geen aandacht besteden aan de anderen.’
Ik word in mijn rug geduwd, waardoor ik even niet meer kijk naar de duizenden mensen die staan te dringen bij de hekken. Ze worden op afstand gehouden door een honderdtal militairen, die voor de hekken staan. Degenen die over de hekken proberen te klimmen worden zonder pardon teruggegooid. Houdt iemand zich goed vast, dan wordt die getaserd. Niemand krijgt het voor elkaar aan deze kant te komen.
‘Loop door,’ hoor ik weer, nu nog dringender. Ik zie dat Maria al een stuk verder is dan ik, dus ik ren een kort stukje om haar in te halen. We lopen over een pad richting een boot met aan weerszijden hekken. Aan onze rechterkant staat een meute die ook mee wil. De boot ligt al klaar, een gigantisch cruiseschip. Het torent boven het land uit. Ik heb gehoord dat het water tot aan de rand van de dijk staat, maar toch verbaast het me hoe dichtbij het schip is aangemeerd.
‘Ik ben gewoon doorgelopen hoor, die mensen maken me doodsbang,’ zegt Maria, die flink doorstapt.
‘Natuurlijk,’ mompel ik. Ik kan mijn ogen niet van de meute afhouden. Ik doe mijn best niet weer achterop te raken.
Tegen de dijk ligt een steile, smalle trap die leidt naar de aanlegsteiger. Maria rent bijna naar boven, ze wil hier weg. Bovenaan de trap blijf ik even staan. De mensen achter me lijken niet heel snel te gaan op de trap, dus ik neem de kans om te zien hoe het water tegen de top van de dijk klotst. Soms spat er al wat water overheen. In de verte zie ik nog een schip liggen, een paar kilometer verder, en daarachter ligt er nog een en nog een. Langs de hele kust lijken er schepen te liggen. In ieder geval zover ik van hier met het blote oog kan zien.
Precies naast de trap klautert een man naar boven met een baby in zijn arm. Een hand gebruikt hij om zich vast te grijpen, terwijl hij de baby tegen zijn borst drukt met de andere. Niet veel later staat hij naast me op de dijk. Tussen ons in staat ook hier een soldaat op wacht, die zich geen vin verroert.
‘Neem mee, alstublieft.’ Hij steekt zijn kind naar voren en valt neer op beide knieën. ‘Alstublieft, alstublieft.’ Hij probeert dichterbij te komen, maar dan haalt de soldaat een knuppel tevoorschijn. De man doet een stap naar achter. ‘Alstublieft.’
Ik wil ‘ja’ zeggen, maar het lukt me niet. Ik blijf hem aankijken en zeg niets. Achter me hoor ik weer: ‘doorlopen.’ Ik kijk nog een keer om me heen en zie hoe de mensenmassa zich verdringt bij de hekken. Het zal niet lang meer duren of ze breken erdoorheen. De mensen worden opgetild en weggesmeten. Achter de man met zijn baby kruipen er nog meer mensen omhoog. Ze schreeuwen en proberen vanaf de dijk op de boot te springen. Sommigen pakken hun partner of kinderen en gooien ze richting de boot. Niet één haalt het dek.
De man kijkt me nog steeds smekend aan. ‘Alstublieft, snel.’
‘Doorlopen!’
‘Kom je nog?’ roept Maria.
Ik word weer in mijn rug geduwd. ‘Je kunt ze niet allemaal helpen,’ bromt de oude man achter me. ‘Iedereen had ervoor kunnen werken, jongen. Help jezelf. Jij hebt betaald, zij niet.’
Ik draai mijn hoofd weg en probeer de man, die in huilen uitbarst, zoveel mogelijk te negeren, als ik aan boord ga van het schip.
Ik loop niet naar de hutten zoals de andere passagiers, maar blijf bij de reling staan en kijk naar de massa. Even later komt Maria naast me staan.
‘Kom je mee? Er is een groot zwembad op het achterdek. Er is al een dj aan het opbouwen en de bar is al open.’ Ze drukt een biertje in mijn hand. Ik kijk ernaar alsof ik niet weet wat ik ermee moet.
‘Zit je er niet mee dan?’ vraag ik haar.
‘Ik ga vast die kant op, zie je straks,’ antwoordt ze bits en ze loopt weg.
Ze wil geen antwoord geven. Natuurlijk zit ze ermee, wat is dat ook voor vraag. Daar sta ik dan, al mijn geld opgemaakt om feestend te overleven, met een biertje in mijn hand, te kijken hoe we wegvaren van een volk dat overspoeld gaat worden. Vrouwen, kinderen, zodra de dijken breken… Ik zucht. ‘Ik had “ja” moeten zeggen.’
Ik zet het biertje op de grond en loop weg. Een paar meter van de reling verwijderd draai ik weer om. ‘Misschien moet ik gaan helpen, de dijken ophogen ofzo.’
Vol overtuiging ren ik op de reling af. Ik spring, haasje-over, het water van de Noordzee in. Ze omarmt me meteen, zuigt me naar haar bodem. Ik ontworstel me aan haar grip en bereik haar wateroppervlak. Ze laat me heel even met rust, zodat ik nog kan zien hoe het schip wegvaart. Ik hoor geen “man overboord”, alleen het geluid van het feest bij het zwembad. Dan overspoelt de Noordzee me met een golf water en trekt me weer omlaag. Het geluid wordt dof. Hoeveel ik ook spartel, haar water slokt me op. Ik kan niet anders dan me overgeven aan de Noordzee. Niet veel later spuugt ze me over de dijk. Ik beland met mijn gezicht in het zand. Ik krabbel overeind, klaar om te helpen.
‘Natuurlijk niet,’ zucht ik, nog altijd starend naar de reling van het schip. ‘Ik ga toch niet overboord springen. Ze hadden er ook zelf voor kunnen werken.’ Ik pak het biertje op, sla het meteen achterover en loop gehaast naar het zwembad.