Onder het ijs

Onder het ijs

Luchtbellen stijgen op naar het donkere gat dat steeds hoger komt te liggen. Ik laat me langzaam naar beneden zakken, armen en benen gespreid. Boven me is bijna alles verlicht, helder en wit. Alleen het wak is duister. ‘Over twee minuten halen we je er weer uit!’ Het is een van de begeleiders. Geen idee welk van de twee, de stem klinkt te vervormd. Voor nu maakt het ook niet uit. Al mijn aandacht gaat naar het touw om mijn middel. Verder heb ik geen houvast nodig. Ook de laatste zucht lucht blaas ik uit en ik zak nog dieper. De stemmen ratelen door, maar het geluid vermengt zich met het suizen in mijn oren. Ze worden één met het zoute water dat brandt op de schraalheid van mijn lippen. Ze zijn kapotgegaan door de kou, die nu de pijn van het branden weer verzacht. Mijn handen en voeten drijven gevoelloos in het water. Ik knijp ze af en toe samen, uit reflex, zonder opzet. Het koude water verbreekt langzaam het contact met de ruimte om me heen. Mijn zintuigen zijn verlamd. De pinguïn komt eraan, denk ik, terwijl ik nog verder uitadem.

     Nu verdoven zelfs mijn inwendige zintuigen. Mijn gevoelens zijn verdoofd. Normaal kan ik niet aan hem denken zonder te snikken. Dan raakt mijn ademhaling ontregeld en duizelt mijn hoofd. Maar hier onder het ijs is er geen verdriet. De kou heeft het weggebeten. Als ik in paniek raak, heb ik geleerd, moet ik bewust mijn ademhaling tot rust brengen, of in een papieren zak ademen. Hier word ik gedwongen helemaal niet te ademen. Ik ervaar wat hij ervoer. De afgelopen dertig jaar zijn razend snel voorbijgegaan. Ik heb alleen maar kunnen rennen. Weglopen, noemde zijn moeder het. Zij kon het weten. Nu zak ik naar beneden, mijn besef vertraagt. Na de ruimte verdwijnt ook mijn contact met de tijd. Gedempte zintuigen, verdoofde gevoelens en een vertraagd besef; alleen de herinneringen zijn nog even scherp als altijd.

 

     ‘Ik wil ook mijn muts.’

     ‘Ja! Goed idee!’

     ‘Maar die is nat.’

     ‘Nee, die heb ik op de verwarming gelegd. Zal nu wel droog zijn. Ga maar even kijken.’

     Hij loopt naar de verwarming en komt even later met de muts op zijn hoofd weer terug.

     ‘Gelukt?’ vraag ik retorisch.

     ‘Hij is lekker warm,’ antwoordt hij en hij drukt de muts nog verder tegen zijn oren.

     ‘Nog even de jas dichtmaken.’ Ik wacht geduldig af hoe hij klungelt met de rits. Extra lastig aangezien hij zijn handschoenen al aan heeft. ‘Zal ik even helpen?’

     ‘Dit is echt irritant met handschoenen aan.’

     ‘Ja, dat klopt! Ik zou ook eerst mijn jas dicht hebben gemaakt,’ grap ik. En zoals verdiend krijg ik als reactie een stomp in mijn buik. Ik til hem op, gooi hem over mijn schouder en hij slaat een paar keer tegen mijn billen aan. Vervolgens til ik hem weer overeind en geef hem een dikke knuffel. Papa beer en zijn berenjong, noemt hij ons altijd. Ik zie mezelf meer als een pinguïn. Het liefst houd ik hem de hele middag in het nest. Maar een berenjong wil spelen, op avontuur. 

     ‘Heb je je horloge om?’ vraag ik, waarop hij vol trots zijn mouwen opstroopt. Eerst de rechter, vervolgens de linker waar zijn horloge zit.

     ‘Goed zo! Zorg ervoor dat je op tijd thuis bent. Om 16.15 uur.’

     ‘Oké!’

     ‘Weet je wanneer dat is?’

     ‘Als de kleine wijzer op de vier staat.’

     ‘Ja…’ aarzel ik, afwachtend of hij uit zichzelf meer zal zeggen. ‘En waar staat dan de grote?’

     ‘Dat weet ik dus niet meer.’ Hij fronst zijn wenkbrauwen diep. Hij baalt.

     ‘Hierzo,’ wijs ik hem aan. ‘Op de drie.’

     Ik begeleid hem naar de voordeur en geef hem nog een stevige knuffel met een kus op de mond. Soms wil ik uit gewoonte de wang proberen, maar dat vindt hij niet goed. Het moet een echte knuffel zijn met een echte zoen! Hij stapt op zijn fietsje en rijdt, nog enigszins slingerend, de straat uit naar Willem, een vriendje uit de klas. Ik kijk hem na maar roep niks meer. Geen ‘doe voorzichtig’, ‘luister goed naar Willems moeder’ of ‘eet geen sneeuw’. Ik leg mijn hand op mijn borst en staar nog even naar de lege straat. ‘Hij woont maar drie straten verder,’ bemoedig ik mezelf.

 

Ik hang stil in het ruisende water. Ik kan me alleen maar voorstellen dat dit is hoe Rijn zijn moeder en mij voor het eerst heeft gehoord. De eerste dag onder water zwemmend in het badwater beschermd door de navelstreng van zijn moeder. Het warme water zorgt voor een fijnere overgang. Nog niet happen naar zuurstof, geen koude lucht, alleen maar wennen aan het licht. De stemmen van papa en mama klinken iets scherper, maar nog steeds gedempt. 

     Zacht en vertekend hoor ik zorgen in het muzikale duo boven het ijs. Het trillen van de sopraan- en basstem doorbreekt het suizen in mijn oren. Maar het tempo blijft laag, nog geen reden tot paniek. Bas is de visionair van deze excursie. Hij is de goeroe die zijn volgelingen heeft meegenomen voor deze excentrieke vorm van therapie. Onder het ijs mediteren, alle zintuigen en gevoelens uitschakelen, zodat de belang­rijkste, al dan niet verdrongen, herinnering boven komt drijven. Boven het ijs wordt deze koude herinnering dan gevuld met warmte waardoor deze een comfortabeler plekje krijgt in het lichaam. Bas noemt het herboren worden. Een niet bewezen therapie, maar ze werkt wel. Sofie is de organisator en belangrijkste muze van Bas. Onder water valt het me pas op dat Bas een echte basstem heeft en Sofie een duidelijke sopraan. 

     Een alt mengt zich in het gesprek. Ze heeft duidelijk meer zorgen dan de bas en de sopraan. Enkele zinnen worden fluisterend door het water doorgegeven. Niet alle zinnen maar alleen die zinnen die voor mij van belang zijn. Als de mensen boven het ijs benadrukken dat het over díé man daar beneden gaat.

     ‘Hij moet eruit worden gehaald. Hij beweegt niet meer,’ stelt de ernstige alt.

     ‘Hij kijkt nog helder, hij is in trance,’ meent de rustige bas.

     ‘Die man daar beneden is onze verantwoordelijkheid. Ik wil niet dat hem iets overkomt.’

     ‘Hij heeft dit nodig, dit is zijn proces. Hij moet tijd krijgen om te helen.’

     Het water stopt met fluisteren. De sopraan en de alt lopen weg. Het ijs kraakt op de plekken waar ze lopen. Er wordt een autodeur geopend, waarschijnlijk een van de SUV’s. Ze zullen teruggaan naar het tentenkamp. Op het ijs onder de warmte­lampen ademhalingsoefeningen doen om de paniek te laten zakken. De motor start, de deuren slaan dicht, maar de auto vertrekt niet. De alt en sopraan zijn niet meer te horen. Dan voel ik iemand het touw vastgrijpen. Een kleine trilling door het water. Ik word nog niet omhoog gehesen, maar de trilling haalt me wel uit mijn gedachten. Ik verdring iets, een herinnering. Ik moet de kou weer toelaten, de gedachten bevriezen.

     Waar blijft Rijn? herinner ik me.

 

Ik sta met mijn rug naar de deur van Willem. Het is al half vijf en Rijn is nog steeds niet thuisgekomen. Ik heb zojuist aangebeld, maar ik hoor nog niemand deze kant op komen. Daarom ben ik alvast naar de speeltuin voor de deur aan het staren in de hoop Rijn daar te zien. Helaas zie of hoor ik nog niemand. Ook binnen bespeur ik geen leven. Stoom komt uit mijn mond. Ik wrijf in mijn handen en bel vervolgens weer een keer aan. Ik had ook beter handschoenen mee kunnen nemen. Kort daarna hoor ik iemand van de trap naar beneden stormen. De deur vliegt open.

     ‘Sorry, sorry, sorry, de eerste keer kon ik niet komen. Ik zit in een call.’

     Ik adem rustig in en uit. De moeder van Willem, die het op het schoolplein nog geen probleem vond dat Rijn kwam spelen, zat zojuist nog in een call. Ik blijf haar aankijken zonder iets te zeggen.

     ‘Ze zijn voor, buiten, in de speeltuin,’ zegt ze gehaast al wijzend naar de lege speeltuin, terwijl ze de deur dicht probeert te doen.

     ‘Ik zie niemand,’ reageer ik bijna nonchalant, hoewel ik merk dat ik nu toch wel ongerust begin te raken. Voor de zekerheid zet ik één voet binnen.

     ‘Ze zijn er echt.’ Ze kijkt weer gehaast over haar schouder.

     ‘Ik zal om de hoek in het park gaan kijken.’

     ‘Ja, hahaha,’ lacht ze. ‘Daar zullen ze dan echt nét naartoe zijn gegaan.’

     Ze lijkt niet echt van plan me te helpen, dus loop ik zelf rustig de straat uit. Nog voor ik het twee meter lange paadje voor de deur af ben gelopen, gooit zij alweer de deur dicht en rent ze naar boven. Aan het einde van de straat ligt een brede groenstrook met in het midden een fietspad. De vorige keer dat ik Rijn kwam halen, waren ze daar aan de rand in de struiken een hut aan het bouwen. Tegen mijn onderbuikgevoel in vertrouw ik erop dat ik ze daar ga vinden. Al hoor ik op het moment nog geen kind roepen of lachen.

     Ik loop voorzichtig maar ongerust door de sneeuw over de stoep. Het is op veel plekken erg glad geworden. Afgelopen week wisselde de temperatuur sterk. De ene dag 2 graden, waardoor een deel van de sneeuw begon te smelten, de andere dag opeens -3. Vandaag begon de dag zelfs met -8. Hier en daar is de stoep helemaal vrij van sneeuw en twee meter verder glijd ik vooruit. Hakken tegen elkaar, tenen naar buiten, armen langs het lichaam en dan naar voren waggelen. 

 

Ik mis mijn oranje lakschoenen. Ik ging iedere dag in driedelig pak de deur uit: de dirigent in het zwart met een wit overhemd en oranje schoenen. In de avonden en in het weekend was ik de pinguïn van het concert. Ik kreeg steeds meer opdrachten waar ik geen ‘nee’ tegen kon zeggen. Het was moeilijk om te stoppen, maar ik had eindelijk meer tijd voor Rijn. Hij gaf me die tweede kans. Zijn moeder was het geduld al een paar jaar eerder verloren.

 

De struiken bewegen niet en het is doodstil. Als ik wat takken aan de kant schuif om te kijken, hoor ik achter me de moeder van Willem roepen.

     ‘Willem is weer thuis!’

     Gelukkig, denk ik. Ze zijn er weer! Ik draai me om en waggel al haar kant op als blijkt dat ze haar zin nog niet had afgemaakt.

     ‘Rijn was er niet bij!’ roept ze. ‘Hij is nog met Gijsbrecht op het eiland.’ Ze komt mijn kant op gelopen. ‘Waar ze altijd spelen. Weet je waar dat is? Of moet ik meelopen?’

     Haar call zal wel voorbij zijn als ze tijd heeft om mee te lopen. Ik weet welk eiland ze bedoelt, er is er maar een hier in de buurt. Maar wat doen ze op het eiland? De ene dag vorst en de andere weer niet. Het bevalt me niks.

     ‘Als je weet waar het is dan ga ik weer naar binnen. Ik was nog even aan het werk.’

     Toch nog aan het werk! Ik antwoord haar niet en waggel zo snel mogelijk over de gladde stoep naar het eiland.

     De straat van Gijsbrecht door, een keer naar links en half naar rechts. Daar aan het einde is een klein park met een grote vijver. Midden in die vijver ligt een eiland.

 

Het is alsof ik iemand hoor roepen, een kreet doorgegeven door het water. Een kinderstem die me uit mijn herinnering haalt. Toch hoor ik hier alleen de ruis. Een laatste bel lucht ontsnapt. En hoewel ik dacht gevoelloos te zijn, laat de bel een intens zuur en gespannen gevoel achter. De herinnering, net als mijn hele lichaam, wordt nerveus.

 

     Ik zie Gijsbrecht door het raam, jas nog aan en muts nog op, als ik langs hun huis loop. Hij zwaait wild met zijn armen. Hij lijkt in paniek een verhaal aan zijn moeder te vertellen. Ze opent haar ogen wijd en ziet mij door het raam naar binnen kijken. Ze schreeuwt en wijst wild naar het eind van de straat. Ze begint al rennend haar jas te pakken en schoenen aan te doen. Ik kan haar niet verstaan maar begin toch te rennen. Bij iedere stap hoop ik op voldoende grip. De meeste stappen gaan goed, maar soms glijd ik naar voren. Een paar keer val ik op mijn knie omdat ik doorglijd. 

     Rijn was bij het eiland, samen met Willem en Gijsbrecht. Willem is alleen naar huis gegaan en Gijsbrecht hoor ik nu met zijn moeder achter me aan rennen. Maar waar is Rijn? Zou hij uit een boom gevallen zijn? Of zijn ze over het ijs naar het eiland gegaan en durft hij er niet meer vanaf? Soms op handen en voeten, soms sta ik weer overeind, maar ik blijf zo snel als ik kan vooruitgaan. Als ik voorover op mijn buik val, hoop ik door te glijden, zoals een pinguïn de oceaan in glijdt. Maar het lukt niet. Ik glibber en krabbel vooruit op het ijs. Ik ben bijna bij de vijver.

 

De alt en sopraan halen me weer uit mijn herinnering. Het water fluistert wat ze over me zeggen. 

     ‘Die twee minuten zijn al lang voorbij!’

     Het zicht voor me is wazig. Alsof er vlokken ijs drijven waardoor ik niets kan zien. Of neergeslagen gassen van de SUV waar de dames net zijn uitgestapt. 

     ‘Hij zal er zelf uit moeten komen,’ stelt de bas. ‘Dit is een belangrijk helingsproces. Hij heeft de bijna-doodervaring nodig.’

     Bijna-dood? Ik krijg op slag behoefte aan zuurstof. Ik wil zwemmen, spartelen, bewegen, ademen, maar het lukt niet. Ik hang stil en raak langzaam in paniek. Alleen mijn vingertoppen krijg ik nog in beweging. Ik wil hier weg. Ik wil niet meer herin­neren. Langzaam til ik mijn arm omhoog. Een ruk aan het touw en ik ben weg, zo is het afgesproken. Zonder vragen, zonder twijfel. Ik klem mijn vingers voorzichtig om het touw.

     ‘Hij leeft nog, zijn hartslag is nog goed, temperatuur in orde. Hij moet er niet heel lang meer blijven, maar hij kan nog heel even. Als het echt niet meer gaat, haal ik hem eruit.’

     Ik kijk naar de sensoren op mijn borst, vervolgens naar het ijs boven me en tot slot staar ik weer door het troebele water.

     ‘Hij zal herboren zijn!’

 

Ik kom aangegleden bij het wak in de vijver. Er liggen takken omheen en brokstukken alsof het ijs kapot is geslagen. Ik schreeuw zijn naam en kijk om me heen. Ik zie niemand en ik hoor niets. Het geluid om me heen vertroebelt en mijn zicht wordt wazig. Ik voel mijn hart kloppen in mijn keel, bij mijn slapen. Mijn hoofd verkrampt. Ik flapper met mijn vleugels, steek mijn snavel in de lucht en krijs: ‘RIJN!’ 

     Ik duik zonder na te denken naar voren en steek mijn kop in het wak. Niets dan troebel water: zand, modder, duisternis. Ik haal mijn kop er weer uit en veeg de sneeuw van het ijs in de hoop hem te kunnen zien. Niets. Keer op keer niets. Een stuk van zijn sjaal komt boven drijven in het wak. Voorzichtig trek ik eraan. Als ik alleen maar weet waar de sjaal vandaan komt, dan kan ik in het water duiken om hem te vinden. Van achteren onder me door schuift met zijn gezicht tegen het ijs gedrukt Rijn richting het wak. Zijn levenloze ogen in het lijkbleke gezicht kijken me door het ijs in mijn ogen aan. De pinguïn die hem niet redden kon, duikt met zijn halve lichaam onder het ijs om hem te pakken. 

 

In een reflex trek ik aan het touw. Het schiet razendsnel omhoog. Ik ben langzaam van het wak weggedreven, waardoor ik eerst de onderkant van het ijs bereik. Ik druk mijn gezicht ertegen om te weten of ik er doorheen kan kijken. Ik zie mezelf weerspiegeld in het ijs. De ernstige blik van een man die gezworen zou hebben dat zijn zoon hem nog aangekeken heeft. Een laatste keer van onder het ijs. Achter mijn reflectie zie ik een schim, een troebele versie van een man die in alle haast met zijn knieën op het ijs zakt. Een arm duikt in het water en pakt me vast. Een sterke arm, als van een ijsbeer op het ijs. En met één ruk word ik uit het water gevist. Net voor ik de warme lucht weer bereik, de ronkende motoren en de warmtelampen, neem ik in gedachten afscheid. Zonder gevoel, in het koude water. Ik ben te lang een pinguïn geweest. Op dat moment word ik aan het lange touw, door een smal gat, uit het ijskoude water getrokken.

©Auteursrecht. Alle rechten voorbehouden.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.